Een half jaar geleden besloot ik iets te doen wat ik best spannend vond: alleen op vakantie gaan. Ik wilde in mijn eentje gaan wandelen in de bergen in Oostenrijk.
Alleen.
Dat woord vond ik, toen de reis dichterbij kwam, toch wat ingewikkelder dan gedacht. Ik wist wel dat ik het kon. Ik kan prima alleen zijn en ben niet iemand die voor alles hulp nodig heeft. Maar er is een verschil tussen even alleen thuis zijn en daadwerkelijk in je eentje vertrekken. Daarbij kwam dat ik nog nooit in de bergen had gewandeld én dat ik rekening moest houden met een flinke portie hoogtevrees.
De spanning begon al vóór vertrek. Zou ik het wel echt leuk vinden? Zou ik me niet eenzaam voelen? Het duurde even voordat ik boekte. Het plan was er, de wil was er, maar die klik op de boekingsknop was lastig. Mijn hoofd vond er van alles van. Uiteindelijk luisterde ik naar wat ik echt belangrijk vond en boekte ik toch.
Ik was verder benieuwd in hoeverre ik last zou krijgen van mijn hoogtevrees als ik eenmaal op die berg stond. Nou, dat heb ik snel genoeg ontdekt.
Mijn eerste wandeling was bedoeld als een rustige start. Met de skilift omhoog, een beetje wandelen, genieten van het uitzicht en rustig weer naar beneden. Dat liep anders. Uiteindelijk liep ik zo’n 10 à 12 kilometer en was ik aanzienlijk verder van mijn “rustige start” verwijderd dan gepland. Maar genoten heb ik zeker.
De volgende dag stond de echte uitdaging op het programma: met de lift omhoog, wandelen naar het Wildseeloderhaus en vanaf daar door naar de top. Vooraf dacht ik dat ik waarschijnlijk tot het meer zou gaan. Eenmaal daar dacht ik: ach, die top kan er ook nog wel bij.
Dat betekende wel een route met smalle paadjes, flinke rotsblokken en stukken waarop ik niet kon wandelen, maar meer moest klimmen. En ja, daar was mijn hoogtevrees.
Alleen bleek die angst veel minder bepalend dan ik vooraf had gedacht. Er gebeurde iets interessants. Ik was nog steeds bang en vond sommige stukken doodeng. Mijn hoofd riep dat ik iets heel stoms deed en vroeg zich af waarom ik dit ook alweer wilde. Maar ja, ik stond er al. Naar beneden was geen optie, dus klom en liep ik door.
Niet omdat mijn angst verdwenen was, maar omdat ik iets anders belangrijker vond dan het vermijden van die angst: boven komen, ontdekken hoe ver ik kon gaan en vooral genieten van het feit dat ik daar liep. Wat was ik trots en opgelucht toen ik de top bereikte!
Dit is precies waar ACT voor mij interessant wordt.
We denken vaak dat we eerst van onze angst, onzekerheid of spanning af moeten voordat we iets kunnen doen. Als ik minder bang ben, dán ga ik het doen. Of: als ik zeker weet dat het goed gaat, dán durf ik het. Maar zo werkt het leven meestal niet. Angst is geen knop die je zomaar uitzet. Wachten tot je je volledig zeker voelt, betekent vaak dat je heel veel dingen nooit doet. Terwijl je er juist zo blij, voldaan en trots van zou worden.
ACT gaat daarom niet over het wegkrijgen van angst. Het gaat over de vraag: wat vind ik belangrijk en hoe wil ik daarmee omgaan, ook als er ongemak bij komt kijken?
Tijdens mijn wandeling werd dat heel concreet. Ik hoefde mijn hoogtevrees niet op te lossen. Ik hoefde mezelf er niet van te overtuigen dat ik nergens bang voor hoefde te zijn. Het enige wat ik hoefde te doen, was het volgende stuk van het pad lopen. En dat bleek genoeg.
Overigens betekent dit niet dat je altijd maar moet doorrammen. Later tijdens de reis merkte ik dat mijn benen echt klaar waren met de bergen. Ikzelf nog niet, maar mijn benen wel. Op dat moment was de meest helpende keuze juist om een rustdag te nemen. Ik heb heerlijk genoten aan het meer.
Ook dat is onderdeel van luisteren naar wat er werkelijk speelt, in plaats van automatisch te doen wat je denkt dat je zou moeten doen, wat hoort of wat je vooraf had bedacht.
Het was een topervaring. Je hoeft niet te wachten tot je angst weg is om iets te doen wat belangrijk voor je is. Soms mag de angst gewoon mee. En soms kom je er onderweg achter dat je veel meer kunt dan je vooraf dacht.
